Een heerlijk tussendoortje voor iedereen die van fietsen houdt. (...)

Hij neemt zichzelf niet al te serieus en heeft daardoor een flinke dosis zelfspot. (...)

Los van het feit of je van fietsen houdt, is Valkenburgs schrijfstijl aanstekelijk en humoristisch.                                                                                        Friesch Dagblad


Dit boek gaat over zowel het werkwoord als het zelfstandig naamwoord ‘fietsen’. Kees weet er alles van want hij heeft alles al meegemaakt. Dit boek is niet te lezen zonder heel veel gevoel van herkenning, en af en toe een dikke lach.                   Najaarsbrochure Uitgeverij Elmar


Vol humor passeren lachwekkende en bizarre situaties waarin je met de fiets terecht kunt komen de revue. (...) Daarover lezen maakt ook gelukkig.                                   FietsActief


'Grappige en absurde verhalen van een fietsfreak'. Dat klopt helemeaal, want in 31 verhalen vertelt fietshobbyist Kees Valkenburg wat hij heeft meegemeekt op en naast de fiets (...) Allemaal vlot en vrolijk geschreven met veel gevoel voor fietsspot.                   Tros Kompas


Met Het geluk van fietsen heeft Kees een heerlijk, humoristisch en herkenbaar boek geschreven dat ook zeer geschikt is voor de niet zulke fanatieke boekenlezers. (...)

Het boek was dan ook echt een feestje om te lezen.                          Indeboekenkast.com


Dit bizar leuke boek is echt de moeite waard.                                                Tip magazine


Door de losse en humoristische schrijfstijl is het een breed toegankelijk boek, ook voor personen die niet dagelijks met hun fiets bezig zijn.                             Drachtster Courant

Lees hier hoofdstuk 1:


1

 Donder en bliksem

 

Wat je verwacht gebeurt eigenlijk nooit

 


Niemand twijfelt eraan dat de uitvinding van het wiel de belangrijkste is in de geschiedenis van de mensheid. Wat mij betreft is er ook geen twijfel mogelijk over de op-één-na-beste uitvinding. Dat zijn natuurlijk twee wielen, oftewel: de fiets. Alle andere uitvindingen zijn bijzaak. Bijvoorbeeld een dak boven je hoofd waardoor je droog blijft of een koelkast waardoor je niet dagelijks bedorven voedsel naar binnen hoeft te schuiven. Dat is allemaal heel relatief. Want van welke dingen in het leven geniet je nou echt? Wat doorbreekt de sleur van alle dagelijkse verplichtingen? Van wat krijg je het gevoel dat je lééft? Precies, van fietsen.

 

Fietsliefde zit in mijn genen en bleek goed te combineren met twee van mijn andere eigenschappen: liefde voor de natuur en een eigenzinnig karakter (ook wel stronteigenwijs genoemd). Een mooie mix die leidt tot onverwachte verhalen. Dat zal ik toelichten met een voorbeeld dat begint met de behoefte om de natuur te beleven. Het wordt vervolgens opgeleukt met een fiets en afgemaakt met een beetje eigenzinnigheid. Het resultaat is een verhaal.

 

Als buitenliefhebber heb ik lang geleden besloten dat de herfst voor mij het mooiste seizoen is: felgevlekte bomen, vliegende bladeren, laaghangende zonnestralen en haastige wolkenluchten. De herfst is puur, afwisselend en heftig. Een herfststorm raakt me zo lekker. Die energie, die verandering aan het eind van de zomer als je net sloom begint te worden van de langdurige, trage warmte, dat is prachtig. Ik zie altijd weer uit naar de herfst. Maar er is één weertype dat nog mooier is: de onweersbui na een warme, zomerse dag. Elke zomer hebben we er een paar: zo’n enorme donkere lucht die rommelend aan komt drijven na een dag waarop het plakkend warm was. Waarschijnlijk heb je er dan al een paar dagen naar uitgekeken want warme dagen zijn in ons zeeklimaat nogal eens té warm en vooral té vochtig. De weeromslag begint met een zachte wind die langzaam begint en harder en harder wordt. De koele lucht komt aandrijven en verdringt de vochtige, zware massa om je heen. Dan komen de rukwinden, de bomen zwaaien heen en weer, in de straat worden de parasols haastig ingevouwen en de ramen en deuren dichtgeklapt. Het wordt schemerig van het blauwzwarte wolkendek en, KNETTER! de eerste bliksem flitst de omgeving in het licht en direct laten de wolken al hun water vallen. Het komende half uur betekent een intense combinatie van extreme wind, bakken water, een lichtshow en het oorverdovende geluidsvolume van een hardrockconcert. Geweldig!

 

En het mooiste is: je kan er gewoon middenin gaan staan, in zo’n onweersbui. Vroeger, thuis, deden we dat al in de tuin: zwembroek aan en lekker afkoelen in de stortbui. Later pakte ik de fiets en ging er in rijden. Dat geeft een hele eigen, unieke kick. Intens, maar niet pijnlijk. De regen is in zulke buien niet koud maar verkoelend waardoor het een zacht randje geeft aan de rauwe ervaring. Het is elke zomer weer een bijzonder momentje, als espresso na het toetje. Ik heb me nooit zo gerealiseerd dat andere mensen dat raar vinden, dat je in het onweer gaat fietsen. Totdat ik een keer in zo’n bui naar mijn werk fietste.

 

(1997) Het was vrijdagavond na een warme periode. Ik had die dag gewerkt en was al thuis, maar zag dat ik de pieper had meegenomen. Dat is een elektrisch apparaatje uit de vorige eeuw waarmee je opgepiept kon worden in de tijd dat er nog geen mobiele telefoons bestonden. Ik bedacht dat ik die pieper nog even terug moest brengen naar de oplader bij de receptie, want anders zou maandagochtend de accu leeg zijn. Tegelijkertijd zag ik een onweersbui aan komen drijven. Dat was een mooie combinatie van factoren om samen te smeden tot één ervaring: nuttig én prettig. Ik wikkelde de pieper zorgvuldig in drie dichtgeknoopte plastic boterhamzakjes zodat het ding waterdicht verpakt was. Vervolgens trok ik fietskleding aan, nam de pieper mee en trapte op de racefiets naar m’n werk. Het bleek een indrukwekkende onweersbui van de buitencategorie te zijn: na vijf minuten was ik tot op m’n onderbroek doorweekt, overal lagen afgerukte takken op de weg, de lucht was zo zwart dat het donker werd en de bliksems zetten de omgeving zo vaak in het licht dat het leek op een zwaailicht: licht-donker-licht-donker. De hele rit kwam ik geen enkel ander levend wezen tegen. Zelfs geen hond terwijl het toch behoorlijk hondenweer was. Ik was alleen op de wereld. Het was heerlijk. Na een half uurtje natuurgeweld kwam ik op m’n werk aan terwijl het nog steeds noodweer was.

 

Helemaal doorweekt en druipend van het regenwater liep ik via de hoofdingang naar binnen richting de receptie. Ik zag dat de nieuwe receptioniste aan het werk was die ik net had aangenomen. Het was één van haar eerste werkavonden en ze had me alleen maar in jasje-dasje meegemaakt. Ik ging, terwijl het water uit mijn haar langs mijn gezicht droop, als een verzopen kat voor de balie staan. Het water liep in m’n ogen, ik knipperde wat en probeerde mijn bril droog te vegen met m’n natte shirt wat niet heel succesvol werkte, en zei toen: Goedenavond, Carolien, ik kom even de pieper terugbrengen. Wil jij die in de oplader zetten? Ik scheurde de zeiknatte plasticzakjes open en liet de pieper zachtjes op de balie vallen tussen de regendruppels die van mijn armen vielen. Ik keek haar aan en zag dat haar mond openstond alsof ze iets wilde gaan zeggen. Haar lippen bewogen geluidloos heen en weer zoals bij een goudvis die uit de kom gesprongen is. Ik wachtte een paar seconden, maar had niet de indruk dat het haar zou gaan lukken om de komende minuten geluid voort te brengen. Uitsluitend twee grote opengesperde ogen en een blub-blub-blub-beweging. Ik kon haar maar beter uit haar lijden verlossen: ‘Werkse verder en prettig weekend alvast’, zei ik, en liep weer naar buiten het noodweer in. Een spoor van druipwater achterlatend.

 

Ik heb Carolien nooit meer teruggezien. Ze heeft aan het einde van deze dienst tegen een collega gezegd dat ze er, tijdens proeftijd, mee stopte en niet meer terug zou komen. Ik heb nog geprobeerd haar te bellen, maar er werd niet meer opgenomen. Einde oefening. Of het te maken heeft met de onconventionele verschijning van haar leidinggevende op het werk zal ik waarschijnlijk nooit weten. Maar toen ik in de week erna het voorval besprak met collega’s ging er een wereld voor me open: er zijn heel veel mensen op de wereld die denken dat onweer irritant en gevaarlijk is, en dat je dan binnen moet blijven. Er zijn zelfs mensen die bang zijn voor onweer. Het moet niet gekker worden! Eén van de mooiste cadeautjes van moeder natuur wordt op deze manier tot een onwenselijk gedrocht gemaakt. Bliksems! Hoe durven ze?

 

Het zal wel met kansberekening te maken hebben. Of met de afwezigheid van enige kennis daarvan. Iedereen denkt dat de kans om door onweer getroffen te worden groot is. Maar dat is-ie niet. In Nederland is die kans één op twee miljoen per jaar. Oké, ik geef toe: dat zal in mijn geval wat hoger liggen omdat ik niet naar binnen ga. Maar ik fiets natuurlijk tijdens onweer niet dwars door een open veld. Een beetje in de buurt van gebouwen, lantarenpalen en bomen enzo, ik ben niet helemáál gek. Nou, stel dat mijn kans dan honderd keer zo groot is als van de gemiddelde Nederlander, dan is dat één op twintigduizend. Vergelijk dat eens met het risico op een verkeersongeluk met ernstig letsel: die kans is één op duizend. Van elke duizend personen die aan het verkeer deelnemen, krijgt er dit jaar één persoon een ongeluk met ernstig letsel. Echt waar, en dat ieder jaar opnieuw. Een bizar hoog risico als je er over nadenkt. Gestoord.

 

Ik snap mensen dus niet: ze nemen allemaal dagelijks aan het verkeer deel en nemen daarbij zonder problemen het risico op afgerukte ledematen en langdurige revalidatietrajecten of erger. Het enorm grote risico op ellende is in dit geval dus geen reden om het gedrag te veranderen. Behalve als het gaat om een verwaarloosbaar flut-risico zoals een paar bliksems. Dan gaan ze gelijk met z’n allen onder de bank liggen. Het kan aan mij liggen, maar wie is hier nu gek?

 

Ik voelde me dus ook niet genoodzaakt om dit gebrek aan relativeringsvermogen ten aanzien van onweer in de opvoeding aan mijn kinderen door te geven. We hebben met z’n drieën (dochter, zoon en ik) met veel plezier door zomerse onweersbuien gefietst. Ik kan me verder herinneren dat ik met m’n zoon van veertien door de plassen fietste tijdens een enorme wolkbreuk. In de plaatselijke winkelstraat kon het riool de hoeveelheid regen niet afwateren en lagen er plassen van tien meter lang en twintig centimeter diep over de hele straat verspreid. Het was een mooi trainingsspelletje: zo veel mogelijk snelheid maken in de hoogste versnelling en dan zo hard mogelijk de plassen inrijden en zo lang mogelijk doorsprinten. Met aan twee kanten een boeggolf van een speedboot en het water soppend in je schoenen. Je blijft er lekker jong bij, op dat moment had je kunnen denken dat ik ook nog veertien was. Los van de kleur van m’n haar die me dagelijks uit deze jeugdige droom helpt. Dat doet me trouwens denken aan mijn eigen jonge jaren toen ik al snel ontdekte dat een fiets niet zomaar een apparaat is. Het is een avonturenmachine.

 

 

Dat was hoofdstuk 1.


Ben je al zo ver gekomen? Dat betekent misschien dat je nog wel een stukje van mijn boek wilt lezen?


Uit hoofdstuk 5:

Het is in het leven in het algemeen, en bij studenten in het bijzonder, de kunst om uit te zoeken wat bij je past in plaats van in het wilde weg anderen te kopiëren. Soms word je daar op subtiele wijze bij geholpen. Zo was ik ooit met een aantal andere studenten op een kamp in Zuid-Italië. Dat kan je overigens niet vergelijken met Noord-Italië want daar is echt alles anders. Noord-Italië is verziekt door het massatoerisme: overal is het druk, duur en chagrijnig en de hele bevolking doet uitsluitend zijn best om toeristen af te zetten. Daar slagen ze overigens goed in. Er is natuurlijk best wat moois te zien in die regio, maar dan moet je wel langs de mensen heen kijken en dat valt daar nou juist niet mee gezien het feit dat de volledige wereldbevolking ’s zomers in Noord-Italië rondloopt. In Zuid-Italië is alles anders: het is er rustig, goedkoop en de bevolking is uiterst vriendelijk. Je zou kunnen zeggen dat je naar Noord-Italië gaat omdat iedereen het doet en naar Zuid-Italië omdat je wat leuks wilt doen. Wat ik je echter niet kan aanraden is om te gaan fietsen met een plaatselijke Italiaan. Dat heb ik namelijk wel gedaan.

 

Op de camping van het kamp met studenten, waar ik verbleef, hielp een lokale jongeman mee met de organisatie. Nou ja, tenminste, dat vermoed ik, dat hij meehielp. Dat is in Zuid-Europa überhaupt moeilijk aan te geven: is die persoon aan het werk of hangt hij gewoon wat rond? De definitie van werk is best wel rekbaar. In ieder geval had hij tijd om mij een gezamenlijk rondje fietsen aan te bieden. Hij bleek namelijk een fanatiek wielrenner te zijn en via via was hij, in gebrekkig Engels en gebroken Italiaans, te weten gekomen dat ik ook van fietsen hield. Hij bood een racefiets te leen aan en ik had er wel zin in. Misschien had ik nattigheid moeten voelen, omdat visueel vrij snel duidelijk was dat dit niet de goede kant op ging: ik stond met gympies en T-shirtje op een enigszins verwaarloosde en te kleine racefiets te wachten, terwijl hij in een volledige wielren­outfit, inclusief fietsschoenen, aan kwam zetten op een blinkende, Italiaanse volbloed. Ongeveer één meter zeventig, uit de vedergewicht-categorie met geschoren benen. Een pro eigenlijk. Het tijdstip was ’s middags om een uur of drie, vol in de zon met een graadje of vijfendertig op de thermometer. Maar ik had er nog steeds zin in: een mooie onverwachte mogelijkheid. Ging ik dat ook eens meemaken. Luigi (geen idee meer hoe hij echt heet, maar dit lijkt me wel toepasselijk) gebaarde dat we aan het einde van de uitrit rechtsaf konden slaan. We kwamen op een langzaam omhoog lopende asfaltweg van een paar kilometer. Luigi schakelde wat, zette aan en verdween in de verte. In een paar seconden loste hij op tot een stipje aan de horizon. Ik probeerde een goed tempo te vinden in de hoop dat ik weer dichterbij zou kunnen komen. Dus even proberen een acceptabele zit te vinden, de juiste versnelling heuvelop zoeken en flink kracht zetten. Nou, dat ging twee kilometer goed en toen sloeg het klimaat op me in als een sloopkogel. Ik zweette van top tot teen en kwam hijgend boven op de heuvel, waar Luigi vriendelijk stond te wachten met een licht teleurgestelde lichaamshouding. Het was direct duidelijk: kansloos. En niet zomaar kansloos: KANSLOOS met hoofdletters, in kapitalen. Dit ging absoluut, volledig en totaal niks worden. We hebben het nog een uurtje geprobeerd: hij vloog steeds naar de volgende heuveltop en ik zwoegde er achteraan op het niveau dat mijn hoofd nog nét niet van de warmte uit elkaar klapte. Op iedere heuveltop constateerde Luigi dat het langer duurde tot ik aankwam en dat het lekspoor van mijn zweet op het asfalt nog weer groter was geworden. Mijn communicatieve vermogens namen af en na een paar heuvels keek ik hem alleen nog maar met een zombieachtige blik aan, blij dat ik nog niet helemaal dood was. Ik denk dat hij uiteindelijk zijn geplande route met zo’n 80% heeft ingekort, omdat het teveel op martelen ging lijken. Gelukkig maar, want anders had hij de uitgedroogde resten van mijn lichaam van het asfalt moeten schrapen. Ik herinner me na de eerste kilometers trouwens helemaal niks meer van deze fietstocht: het landschap niet, geen geuren en kleuren, niet of ik water bij me had, helemaal niks eigenlijk. Gewoon een blinde vlek in mijn geheugen. Dat zal wel oververhit geweest zijn.

 

Jan Raas zei het al: Ieder nadeel hep z’n voordeel. Of was die uitspraak nou van een andere sportheld? In ieder geval was het een bijzondere ervaring om met de beste bedoelingen vernederd te worden tot het niveau van loser van de week. En tegelijkertijd was het een mooie eye-opener. Ik heb in mijn leven verder geen tijd verspild aan het proberen of ik een goede amateur-wielrenner in wedstrijdverband zou kunnen worden. Het leek me duidelijk dat mijn lichaam niet geschikt is voor zulke tempo’s, zeker niet bij zomerse temperaturen. Ook niet als ik meer zou trainen of beter materiaal zou hebben.

 

Nou, dat wist ik dan ook weer. Ik kon me dus verder focussen op fietsen als hobby. Niet voor de prestatie, niet om te winnen, niet om mezelf te bewijzen. Helemaal puur en voor de volle 100% voor de lol. Yes! Ik zou het niet anders willen en iets anders zou ook niet bij me passen. Hobby is hobby. Punt. Als ik wist hoe Luigi heette, en als ik zijn adres had, zou ik hem alsnog een bedankje sturen voor zijn martelgang.

Als je nu nóg aan het lezen bent dan moet je het boek maar kopen hoor.

Ik kan niet bezig blijven natuurlijk.